MENSEN

Als je niets meer hebt, leer je wat belangrijk is

Staat mijn fiets er nog? Ik kijk uit het raam en zie een man liggen op de buitentrap. Hij is in bont gezelschap van coffeeshopklanten die op de trap hun pretsigaretjes roken en daarbij zitten te kwetteren als een groepje spreeuwen. Waarschijnlijk heeft de man zware wiet gebruikt. Zoiets zien we wel vaker.

Een half uur later kijk ik nog eens uit het raam. De ‘spreeuwen’ zijn gevlogen, maar de man ligt er nog. Hij heeft niet bewogen. Dat is niet best.

Hij ligt er ook zo raar bij, alsof hij door een engel uit de hemel op aarde is gesmakt: zijn rechterbeen is opgetrokken tot zijn kin, zijn linkerbeen steekt vreemd over de traptreden naar beneden. Zijn linkerhand ligt onder zijn hoofd, en zijn rechterarm steekt naar achteren. Het ziet eruit alsof hij een sprong in een hordeloop gaat nemen. Ik pak de sleutels, loop naar beneden en kniel neer naast zijn hoofd.

Het is een blanke jongeman, zwart haar. Zijn leeftijd schat ik in de dertig, gezien zijn iets dunnere kruin. Hij heeft een grijs windjack aan met capuchon, een spijkerbroek, en draagt vuilwitte gympen. Links zijn de veters los.

Hij ruikt sterk naar stadsleven.

Ik tik op zijn schouder en zeg langzaam en nadrukkelijk: ‘Hé makker, je mag hier liggen hoor, maar je ligt in de zon. Hier om de hoek is schaduw, dat is beter; en je moet goed drinken.’

‘Moet ik dit voor de zekerheid ook in het Engels zeggen?’, vraag ik me af, maar juist op dat moment komen er klanken uit het roerloze wezen:

‘Koffie.’

Ah, een reactie, dat is een goed teken. En een bestelling nog wel. ‘Ik ga even koffie maken, ben zo terug’, zeg ik luid en loop de trap op. Maar nog voor ik in huis verdwijn hoor ik dezelfde toonloze stem zeggen:

‘Melk en suiker.’

Wil meneer bij zijn koffie misschien ook nog het warm gestreken ochtendblad? Het is amusant, maar ik ben ook gerustgesteld, want hij reageert adequaat en dat is hoopvol. Ik zet een kopje koffie met extra melk zodat het niet te heet is, roer er extra suiker in voor de energie en loop weer naar beneden. Het kopje zet ik wat verder weg zodat meneer het niet met een slaapdronken beweging om zal gooien. Nauwelijks echter heeft het kopje het beton geraakt of de roerloze veert plots overeind, pakt het kopje met twee handen beet, gooit het in één teug naar binnen, springt razendsnel op en loopt, verrassend vlug en soepel, de traptreden af. Het lepeltje gooit hij achteloos weg en het kopje, dat hij als een trofee voor zich uit houdt, neemt hij mee.

Hij slaat de hoek om en is verdwenen. De koffiesessie heeft alles bij elkaar nog geen tien tellen geduurd.

Ik blijf verbluft op mijn hurken achter en ben eerder verbaasd dan geïrriteerd dat hij het kopje heeft meegenomen.

Maar waarom deed hij dat? Wat moet hij nou met een kopje?

Ik zal het echt niet missen, kopjes genoeg. Het zal mijn zakat* wel zijn van die dag. Ik zie het theelepeltje liggen op straat en loop dan toch maar de trap af om het op te rapen.

Het is van de AVRO.

Kort daarop vertel ik het hele verhaal aan mijn stokoude moeder. En vooral van dat kopje maak ik een punt. Ze kijkt me licht verwijtend aan. ‘Je snapt het niet, hè?’ zegt ze. ‘Jullie begrijpen het niet. Maar dat kan ook niet, want jullie hebben de oorlog niet meegemaakt. Natuurlijk is dat kopje heel belangrijk voor die jongen.’

Ik kan zien dat ze in gedachten terugbladert naar vroeger, en dan vertelt ze: ‘Op de dag dat jij geboren werd, viel Soerabaja in handen van de Jappen. En net toen jij op de wereld kwam, liepen er Japanse soldaten langs de ramen van de verloskamer en keken naar binnen. De inlandse verpleegsters schreeuwden van angst. Tien dagen later zaten jij en ik in het kamp, we waren alles kwijt. Je vader was in krijgsgevangenschap en het enige en belangrijkste wat ik nog had waren jij en een plastic emmer.’

‘Een plastic emmer?’

‘Ja natuurlijk! Een plastic emmer is heel belangrijk. Je kunt er barang** in meedragen of opbergen, je kunt er water in halen, je kunt er je was in doen en als het nodig is, kan je er in plassen of poepen. En dat gebeurde dan ook, want je kreeg al direct dysenterie. Ach jongen, wat een gedoe! Geen medicijnen en maar alles wassen en ontsmetten. En dan die stank! Kon jij natuurlijk niet helpen….’

Ze zweeg. Zag ik een spoor van een glimlach?

‘Maar dat kopje dan?’, drong ik aan om haar laatste anekdote zo ver mogelijk achter me te laten.

‘Natuurlijk heeft die jongen dat kopje meegenomen, want wie een kopje heeft, heeft water. Je hoeft maar een café binnen te gaan, de barkeeper aan te kijken en dat kopje in zijn handen te geven. Dan zal hij er altijd water in doen. Ook als je ergens aanbelt. Je kijkt ze aan en geeft ze dat kopje. Je hoeft niets te zeggen. Iedereen begrijpt dat en niemand weigert hoor. Daarom nam hij dat kopje mee. Hij wist wat hij deed. Want als je niets meer hebt, leer je wat belangrijk is.’

Moeder is er niet meer. Haar les wel. Ik hoop dat de jongen het kopje ooit ergens neer kan zetten waar hij zich thuis voelt. En de fiets staat er nog.

* Zakat is een van de vijf zuilen van de islam. Het woord betekent ‘reiniging’ in de vorm van verplichte aalmoezen aan de armen om tot een rechtvaardiger verdeling van goederen te komen.

** Barang (Maleis), bagage, goederen, spullen

TEKST: JOHN TER MARSCH
ILLUSTRATIE: Mathilde muPe

Meer nieuws